 |
Trouw, 27-09-2007
Joop van Holsteyn (bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden)
Wissen referendum niet uit te leggen
Het kabinet ziet uit angst af van een volksraadpleging. Zeg dat dan. Want de argumenten deugen niet.
Dat het kabinet onder aanvoering van een in dezen stellige en standvastige premier Balkenende tegenstander van nogmaals een referendum was, kan en mag niemand verbazen. Het is duidelijk dat partijpolitiek georganiseerde confessionelen (CDA, CU, SGP) maar weinig op hebben met een volksraadpleging. De PvdA zou een tegengestelde positie dienen in te nemen, maar verloor dit punt bij de formatie. Hier kwam de Raad van State prominent in beeld als adviseur.
De Raad van State liet zich in dit geval wel erg gedwee voor het politieke karretje van het kabinet spannen. Dat raadsadvies, zo werd op voorhand bekend gemaakt, zou van groot belang zijn in de verdere besluitvorming rondom een eventueel referendum. Het advies maakte het het kabinet eenvoudig mogelijk om van het referendum af te komen. Een kniesoor die stelt dat de onderbouwing van het advies weinig overtuigend is.
Zo stelt de Raad van State dat het nieuwe verdrag zich kenmerkend onderscheidt van het verdrag waarover eerder een referendum gehouden is. Nog los van de vraag of dit werkelijk zo is en min of meer objectief zou zijn vast te stellen, is dit een enigszins misleidende formulering. Dat de twee verdragen van elkaar afwijken is minder relevant. Bij de beoordeling van het wetsvoorstel dat het referendum van 2005 mogelijk maakte, ging de Raad in op de vraag wat precies de aard was van het toen voorliggende verdrag. Was er sprake van een gewoon verdrag of had het verdrag een zo bijzondere status dat het constitutionele trekken bezat?
De Raad stelde toen dat het verdrag weliswaar niet gelijk kon worden gesteld aan een Grondwet, maar anderzijds zo bijzonder was, dat een afwijkende procedure – een nationaal referendum – verdedigbaar was. Die vraag naar de essentie van het herziene verdrag had ook nu weer centraal moeten staan, niet de afgeleide vraag of en op welke wijze het herziene verdrag gewijzigd was ten opzichte van de eerdere versie. Dat het kabinet stelt dat het herziene verdrag geen grondwettelijk karakter meer heeft, is begrijpelijk maar te gemakkelijk mogelijk gemaakt door de Raad van State.
Het tweede argument van het kabinet om toch vooral geen referendum houden is dat een mogelijke tweede afwijzing zou leiden tot een ’onuitvoerbare opdracht aan het kabinet’. In het redactionele commentaar van deze krant kon dit argument op begrip rekenen. Merkwaardig. Ten eerste wordt nergens duidelijk gemaakt wat dan precies die onuitvoerbare opdracht zou zijn. De stelling van bijvoorbeeld minister Plasterk dat Nederland dan gedwongen is om terug te treden uit de EU is nergens op gebaseerd.
Trouwens, de angst dat de Nederlandse bevolking ook het herziene verdrag zou afwijzen, laat zich lastig rijmen met de rest van de regeringsretoriek. Het referendum van 2005 had het toenmalige kabinet toch wakker geschud? Er was toch stevig heronderhandeld? De Nederlandse boodschap van juni 2005 was toch goed verstaan en had zijn uitdrukkelijke neerslag gevonden in de herziening? Vanwaar dan die angst? De regering claimt een onderhandelingsresultaat om trots op te zijn – maar durft dat prachtige resultaat niet aan het oordeel van de burgers te onderwerpen.
Het derde argument is dat ’een niet-bindend referendum in de praktijk al snel een bindend karakter krijgt’. Dat is feitelijk een correcte constatering. Formeel staat echter niets of niemand het afwijken van een referendumuitslag in de weg. Als regering en parlement werkelijk menen dat een niet-bindende negatieve volksuitspraak niet kan worden overgenomen, dan staat niets een ander besluit in de weg.
Zeker, er zou veel uit te leggen zijn. Maar daar zouden dan tal van onweerlegbare argumenten voor zijn en ijzersterke redenen – die stelling dat het herziene verdrag zowel prachtig als maximaal haalbaar als geen grondwet zou zijn, rust toch niet op drijfzand?
Wie na het kabinetsbesluit nog had gehoopt op een politiek handigheidje van de PvdA, is bedrogen uitgekomen.
De PvdA heeft het laten lopen bij de coalitieonderhandelingen maar slaat via de Tweede Kamer genadeloos terug, zo zou de politieke toeschouwer, tevens kiezer, hebben kunnen denken. Geen raar scenario, gezien de positie die de sociaal-democraten in hun verkiezingsprogramma innamen: ’Voor een nieuw (grondwettelijk) verdrag is een nieuw referendum nodig’. Heldere taal: of dat nieuwe, herziene verdrag nu grondwettelijk zou zijn of niet, dat referendum zou er komen. Zo staat het er, niet anders.
Niet dus. Dat de fractie zich bij het afwijzen van het referendum zegt te baseren op het verkiezingsprogramma, is bewust onzorgvuldig lezen en interpreteren van een passage waarover eerder waarschijnlijk juist goed is nagedacht.
Dat tweede kabinet Den Uyl is er, als we althans VVD-leider Mark Rutte mogen geloven, uiteindelijk gekomen. Dertig jaar later. Dat tweede landelijke referendum van Nederland zal, naar het zich laat aanzien, ook nog wel een paar decennia op zich laten wachten.
|