contact zoeken english
"Naar mijn gevoel is het referendum alleen maar van waarde wanneer het van onderop wordt afgedwongen."   -   Hans van Mierlo
Email updates
DOSSIER EU-REFERENDUM>> WORD DONATEUR>> WAT IS DIRECTE DEMOCRATIE?>>
vrijdag 10 september 2010
Referendum Platform
Vijzelstraat 72
1017 HL Amsterdam
Tel 06-52450279
Fax 020-4207759

Trouw, 22-06-2007

Boris van der Ham (Tweede Kamerlid D66)

 

 

Referendum over Europa blijft nodig

 

Rectificatie / Gerectificeerd In het Podiumstuk van D66-Kamerlid Boris van der Ham over het referendum voor het Europees verdrag (22 juni) is door toedoen van de redactie een storende fout gekomen. In het artikel staat dat voor een grondwetswijzing in de Tweede Kamer voor de eerste lezing een tweederde meerderheid nodig is. Dat klopt niet. Bij de eerste lezing volstaat een normale meerderheid.

 

De Europese Grondwet was geen verkiezingsitem en dus heeft de Tweede Kamer hierover geen mandaat.

 

Deze krant besteedde de afgelopen weken veel aandacht aan de vraag of er wel of niet een nieuw referendum zou moeten komen over een nieuw Europees verdrag. Het commentaar van Trouw stelde daarover dat we dit soort beslissingen niet moeten onderwerpen aan een referendum. Hierbij verwees het commentaar onder meer naar de Franse president Sarkozy die óók geen referendum uitschrijft. Dat is tenminste leiderschap, zo leek de krant te stellen. Naar mijn mening liggen er twee misverstanden ten grondslag aan die houding.

Het referendum van twee jaar geleden was niet allereerst ingegeven door besluiteloosheid bij de politiek. De voornaamste reden was dat de Europese Grondwet te vergelijken was met een grondwetswijziging en dat dit een ’raadpleging’ wenselijk maakte. Immers, een wijziging van de Nederlandse Grondwet is aan strenge regels verbonden. Zo is het verplicht om een zogenaamde ’tweede lezing’ van zo’n voorstel te hebben. Nadat het parlement een voorstel met tweederde meerderheid heeft goedgekeurd, moet het daarna nog een keer door het parlement heen. Tussen die twee goedkeuringen in moet dan ook tenminste één keer nieuwe verkiezingen zijn uitgeschreven. Zo kan de kiezer eventueel ingrijpen als de politiek aan fundamentele rechten knabbelt. Omdat de Europese Grondwet leek op een voorstel tot grondwetswijziging lag het daarom voor de hand om kiezers ook hier die mogelijkheid te geven. Het hoogste adviesorgaan van Nederland, de Raad van State, was het met deze redenering eens. Zij schreef aan de Tweede Kamer dat een referendum ’de meest reële optie’ was om hier vorm aan te geven.

Een ander misverstand ligt wat mij betreft in de vergelijking die Trouw met Frankrijk trekt. Naar mijn mening schuilt dat leiderschap echter niet zozeer in het tegenhouden van een referendum, maar in de duidelijkheid die de Franse president hierover vóór zijn verkiezing als president gaf. En juist daarin zit het grote verschil met veel Nederlandse politici. Tijdens de verkiezingscampagne voor het presidentschap was Sarkozy in ieder geval helder. Hij pleitte voor een miniverdrag gebaseerd op de afspraken uit hoofdstuk 1 (over onder meer de veto’s). Als het nieuwe verdrag zou uitmonden in zo’n kleine versie, zei Sarkozy dat hij er geen referendum over wilde organiseren.

Samen met de Britse premier Tony Blair sprak premier Balkenende in april 2007 ongeveer dezelfde wens uit. Ze stelden dat ’enkele simpele wijzigingen aan de bestaande verdragen’ volstaan om de EU haar broodnodige daadkracht terug te geven. De afspraken die in hoofdstuk 1 van het oorspronkelijke verdrag stonden (over de veto’s en de minister van buitenlandse zaken), zouden daarbij als uitgangspunt dienen. De twee leiders wilden een ’Verander-verdrag’ zonder grondwettelijke pretenties. Via deze weg hoopten ook deze twee regeringsleiders een referendum te voorkomen. Maar dat was de eerste keer dat de regering Balkenende iets over het referendum zei, ná de verkiezingen van 22 november 2006 dus.

Eigenlijk wreekt zich hier het feit dat tijdens de afgelopen Kamerverkiezingen van 22 november vorig jaar nauwelijks is gesproken over de toekomst van Europa. Uit angst om kiezers voor het hoofd te stoten, meden de meeste politieke partijen het onderwerp als de pest. Het CDA was tegen een nieuw referendum maar was onduidelijk over de gewenste inhoud van een nieuw verdrag. De PvdA stelde nog wel dat er een referendum moest worden gehouden, maar ging niet in op de voorwaarden. Ook de ChristenUnie en de VVD bleven er stil over.

Waar de Franse kiezer wel uitdrukkelijk de toekomst van Europa en het referendum mee kon wegen, daar verkeerde de Nederlandse kiezer in onzekerheid. Als de grote Nederlandse politieke partijen echt leiderschap hadden betoond dan hadden ze hun voorwaarden voor een nieuw verdrag en de wenselijkheid van een referendum vóór de verkiezingen van november 2006 bekendgemaakt. Dan hadden de partijen niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest hetzelfde mandaat gehad als Sarkozy.

 
vorige pagina pagina printen