Argumenten voor een referendum:
Voorstanders van referenda vinden het tegenwoordig niet meer voldoende om eens in de vier jaar via verkiezingen hun oordeel te geven over politieke standpunten. De kans dat de standpunten van de individuele kiezer geheel overeenkomen met die van de partij waarop ze gestemd hebben is zeer klein. Meestal is het zo dat mensen het wel met een groot deel van de standpunten van die punten eens zijn, maar niet met alle. Dit heeft tot gevolg dat de binding tussen kiezer en partij is verminderd.
Daar komt bij dat eens in de vier jaar oordelen over de standpunten van een partij niet garandeert dat die standpunten overeind blijven. Zo moeten partijen compromissen sluiten als ze met elkaar een regering gaan vormen en verlopen de ontwikkelingen in de samenleving tegenwoordig in zo'n hoog tempo dat standpunten snel verouderd raken.
Dit is niet erg, maar kiezers hebben daar na de verkiezingen geen invloed meer op en kunnen niet meer ingrijpen als er voor politieke beslissingen geen draagvlak meer is. Dit verklaart volgens sommige voorstanders van referenda voor een deel de vervreemding tussen politiek en kiezer. Een referendum vormt volgens hen daarom een aanvulling op de representatieve democratie en geen aantasting ervan, zoals de tegenstanders beweren.
Een referendum kan er bovendien voor zorgen dat de kiezer actief deelneemt aan het publieke debat over zaken van gemeenschappelijk belang. Doordat ze zelf een oordeel mogen vellen over dergelijke zaken worden burgers gestimuleerd om een mening te vormen en deel te nemen aan de discussie. Het huidige stelsel stimuleert burgers volgens de voorstanders van referenda slechts eens in de vier jaar om hierover na te denken. Zij wijzen in deze discussie bijvoorbeeld op het publieke debat dat ontstond bij het referendum over de Europese Grondwet. Dit referendum kende een hoge opkomst (63,3%) en er was een brede maatschappelijke discussie over het onderwerp. Daarnaast zijn politici beter op de hoogte van de mening van het volk.
Argumenten tegen een referenfum:
Er zijn ook bezwaren tegen de invoering van een referendum te noemen. Het belangrijkste bezwaar is dat het niet zou passen binnen het representatieve stelsel zoals we dat nu kennen in Nederland. In zo'n stelsel stelt de kiezer volksvertegenwoordigers aan die geacht worden een zorgvuldige belangenafweging te maken bij het opstellen van een wetsvoorstel. Daarbij raadplegen zij onder andere diverse maatschappelijke groeperingen, bedrijven en andere betrokkenen. Zo'n belangenafweging is een andere dan de afweging die een individuele kiezer uit eigenbelang maakt.
Behalve met de belangen van verschillende maatschappelijke betrokkenen moeten volksvertegenwoordigers ook rekening houden met de samenhang tussen verschillende wetsvoorstellen. Referenda zouden die samenhang in gevaar kunnen brengen. Verder hebben burgers ook de tijd en de middelen niet om alle facetten van een wetsvoorstel te beoordelen, waardoor ze minder goed in staat zijn om afgewogen oordeel te vellen. Met een ja/nee of voor/tegen vraagstelling dreigt bovendien een simplificatie van het wetsvoorstel te ontstaan die geen recht doet aan de materie. Daarnaast is het volgens tegenstanders van referenda zo dat nee-stemmers vaak gemotiveerder zijn dan ja-stemmers. Hierdoor zou een gepassioneerde minderheid zijn wil kunnen opleggen aan een zwijgende meerderheid.
Tegenstanders vragen zich verder af of een referendum wel de meest geschikte manier is om een maatschappelijk debat te bevorderen. Er zijn verschillende andere manieren om dit ook te bereiken. Feit is wel dat het geen goedkope manier is om het maatschappelijke debat te bevorderen of de mening van de kiezer te achterhalen. Het referendum over de Europese Grondwet in 2005 kostte bijvoorbeeld bijna 30 miljoen euro. Als je als politicus wil weten of er draagvlak bestaat voor je voornemens is het houden van een opiniepeiling bijvoorbeeld een goedkopere manier.
Tot slot zien tegenstanders nog een bezwaar dat specifiek betrekking heeft op correctieve referenda. Die zouden namelijk vertragend werken, zonder dat er een alternatief geboden wordt wanneer een meerderheid zich tegen een voorstel uitspreekt. Daarnaast zegt een dergelijke uitspraak niets over de motivatie van tegenstemmers en bovendien hoeft niet elke nee-stemmer dezelfde motivatie te hebben. Zo kan een wet bijvoorbeeld voor de ene tegenstander niet ver genoeg gaan en gaat het verworpen voorstel voor anderen misschien juist wel te ver.
In praktijk is het kostbaar en organisatorisch moeilijk om regelmatig een referendum te houden. Daarnaast kunnen extreme denkbeelden of niet-realistische maatregelen onderwerpen worden waar een deel van de bevolking een referendum over wil houden en vaak speelt het eigen belang ook een rol.